De Kleine IJstijd en hongersnood
Rond 1700 bevond Europa zich in het koudste dieptepunt van de ‘Kleine IJstijd’. In de Zwitserse alpendalen en de vlakkere regio’s rond het Bodenmeer (Thurgau) zorgde dit voor catastrofale winters en extreem natte, korte zomers.
- De graanoogsten mislukten jaren achtereen.
- De wijngaarden (destijds de economische motor van Thurgau) bevroren volledig.
- Dit leidde tot de Grote Hongersnood. Gezinnen waren groot en de schrale, bevroren Zwitserse grond kon de monden simpelweg niet meer voeden.
Het wurgende Zwitserse erfrecht (Anerbenrecht)
In kanton Thurgau gold in die tijd het strenge Anerbenrecht. Dit hield in dat een boerderij of stuk land bij het overlijden van de ouders onverdeeld naar slechts één zoon (meestal de oudste of de jongste) moest gaan. Dit werd wettelijk zo geregeld om te voorkomen dat landerijen door erfdeling te klein en onbruikbaar zouden worden.
- Het gevolg: Alle andere zonen binnen het gezin (waaronder Jan Ulrich) stonden plotseling op straat.
- Zij kregen geen land en hadden geen toekomst als zelfstandige boeren. Ze werden gedegradeerd tot rechteloze dagloners of knechten in een regio die al straatarm was.
De lokroep van het Staatse Leger
Nederland stond in de Zwitserse kantons bekend als het absolute ‘beloofde land’. De rijke Nederlandse Republiek had chronische arbeidstekorten en huurde via officiële verdragen met de protestantse kantons complete Zwitserse regimenten in voor het Staatse Leger.
Voor jonge, bezitloze Zwitserse mannen zonder erfenis was dit de perfecte uitweg:
- Zij meldden zich aan bij de ronselaars langs de Rijn.
- Zij stapten op boten en zakten de rivier af naar het noorden.
- Eenmaal in Nederland stroomden zij in als militair, huursoldaat of gerigtsdienaar.
Jan Ulrich Wellauer reisde deze stroom achterna. Hij ontvluchtte de honger in Thurgau, ruilde de bergen in voor de garnizoens- en grenslijnen in Noord-Brabant (Wouw) en vond daar via de dorpspolitie het aanzien en de stabiliteit die hij in zijn eigen vaderland nooit had kunnen krijgen. Naast de algemene ellende waar Jan Ulrich mee te maken had, was het overlijden van zijn vader en het hertrouwen van zijn moeder een extra reden om te vertrekken (zie hierna over Anna Hugentobler)
Hij was een man van aanzien en wetshandhaving in het dorp. In de archieven van Wouw staat hij achtereenvolgens gedocumenteerd als gerigtsdienaar (gerechtsdeurwaarder/politiebeambte) en later als vorster (veldwachter/boswachter) in Moerstraten (gemeente Wouw).
Toen Jan Ulrich zich bij de schepenbank en de kerk in Wouw moest melden voor zijn ambt en zijn huwelijk, schreef de Brabantse klerk de naam op zoals hij hem hoorde. De naam werd vernederlandst naar een bestaand Nederlands ambachtswoord: Wielhouwer (oorspronkelijk een middeleeuws beroep voor iemand die houten wielen of raderen kapte / houwde). Jan Ulrich heeft deze administratieve aanpassing geaccepteerd en tekende zijn officiële documenten vanaf die tijd met zijn nieuwe, Nederlandse familienaam.
Rond, of wellicht tijdens, de geboorte van Maria, in april 1757, overleed Maria Schup. Op 29 juli 1758 hertrouwde Jan Ulrich met Janna Bakkers. In de doopaktes is te zien wie de belangrijkste personen in het leven van Jan Ulrich waren. Bij de doop van Johannes in 1749 was Johannes Keller peetvader. Hij was een collega-gerechtsdienaar (zie hieronder). Johanna van Overbeek was de peetmoeder. Bij de doop van de tweede Johannes was Jurjen Veer peetvader en Madalena Wielhouwer peetmoeder. Bij de doop in 1752 van Jacobus was Jan Roest peetvader. In 1755, bij de doop van Maria, waren Coenraath Wielhouwer en Helena Wielhouwer (de oudere zus van de dopeling) peetvader en peetmoeder.
Het oudste tot dusver (juli 2006) gevonden document dateert uit 12 januari 1742 in het “Resolutieboek van Wouw” (vertaald door Johan Karels). Daarin wordt Jan Ulrich benoemd tot “gerechtsdienaar” (veldwachter) in het dorp Wouw in Noord-Brabant (nu onderdeel van Roosendaal). Hij is de opvolger van Rudolf Wijstant. Als veldwachter duikt hij de decennia erna veelvuldig in de stukken op. Zo blijkt hij op 24 augustus 1750 en en 13 december 1752 een nieuw uniform nodig te hebben. In een doopakte uit 1757 wordt hij “vorster” (een soort boswachter) genoemd voor de regio Moerstaten. Een vorster werd benoemd door een publiek lichaam om bossen, velden, gemeentelijke gronden in de gaten te houden, misbruik vast te stellen en te rapporteren en om orde te houden. Hij was in die functie ook deurwaarder.
Tussen 1751 en 1758 was Jan Ulrich betrokken bij een aantal meningsverschillen inzake zijn werk. Daarbij waren onder meer betrokken de politiecommissaris, Stuerman, burgermeester A. de Groot en zijn collega Jan (of Andries) Banthauser. Op 25 mei 1751 werd Jan Ulrich ontslagen en vervangen door Banthauser. In oktober 1751 werd commissaris Stuerman verplicht (door wie is niet duidelijk) om een goede reden voor het ontslag te geven. Waarschijnlijk was hij daartoe niet in staat, want kort daarna was Jan Ulrich weer in actieve dienst, nu niet als gerechtsdienaar maar als vorster. Op 30 december werd hij echter opnieuw ontslagen en opnieuw kwam Banthauser in zijn plaats.
Deze geschiedenis herhaalde zich, inclusief gerechtelijk uitspraken, in de periode 1752-1756 meermalen. Uiteindelijk, op 10 maart 1758 werd bevolen dat Jan Ulrich benoemd zou worden tot nachtwaker voor een jaarsalaris van 95,= gulden, met elke twee jaar een nieuw uniform.
Jan Ulrich Wielhouwer is op 12 november 1766 overleden. Op dat moment had hij twee minderjarige kinderen (dus Maria is waarschijnlijk jong overleden), namelijk Jacobus en Jan. Gerechtsdienaar Jan van Soelen werd daarom als voogd aangesteld.
In het Testament van Jan Ulrich Wielhouwer is meer hierover te lezen. Tevens is daarin een indrukwekkende inventarislijst te zien.
Klik hier voor het testament van Jan Ulrich
Met bijdragen van: Peter W. Wielhouwer, Van Agteren